Partneralimentatie en kindgebonden budget: nieuwe prejudiciële vraag

Sinds de invoering van de Wet Hervorming Kindregelingen zijn er veel discussies geweest over het kindgebonden budget en hoe deze toe te passen bij de berekening van de kosten van de kinderen.

Uiteindelijk is middels een aantal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad op 9 oktober 2015 hierop antwoord gekomen, namelijk dat bij de vaststelling van kinderalimentatie het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking moeten worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Hierover heb ik eerder geschreven en kun je terugvinden op onze blog.

Het gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad werkt verschillend door voor wat betreft de vaststelling van partneralimentatie. Er zijn twee opties te noemen:

  1. Het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop moeten worden beschouwd als (eigen) inkomen van degene die de bijdrage ontvangt, zodat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop van invloed zijn op de hoogte van de (aanvullende) behoefte van de onderhoudsgerechtigde in die zin dat zij de (aanvullende) behoefte en daarmee de vast te stellen partneralimentatie verminderen; of
  2. Het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop zijn van aanvullende aard, vergelijkbaar met huur- en zorgtoeslag, en dienen aldus buiten beschouwing te worden gelaten bij de bepaling van de behoefte van degene die deze bijdrage ontvangt.

Volgens het rapport alimentatienormen (Tremarapport 2017) is de oplossing als volgt:

Bij de onderhoudsplichtige wordt het aandeel in de kosten kinderen dat voor zijn rekening komt, dat wil zeggen voor toepassing van de eventuele zorgkorting (voor hun beider of andere kinderen) als last in mindering op de draagkracht gebracht (…). De door de onderhoudsgerechtigde ontvangen kinderalimentatie wordt direct toegerekend aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel wordt bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening gehouden met de aan die ouder toekomende fiscale voordelen van het tot het gezin behoren van kinderen, zoals de extra heffingskorting alsmede het kindgebonden budget waarop aanspraak bestaat.’

Tenslotte zijn er ook in de literatuur verschillende standpunten te vinden.

Aan de ene kant wordt verdedigd dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop bij de vaststelling van de (aanvullende) behoefte in aanmerking moeten worden genomen omdat sprake is van inkomensondersteuning voor de verzorgende ouder.

Aan de andere kant wordt bepleit dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop daarbij buiten aanmerking moeten blijven, omdat de onderhoudsverplichting van de ene gewezen echtgenoot jegens de andere prevaleert boven de door de staat aan de laatste geboden inkomensondersteuning indien deze niet (volledig) in zijn levensonderhoud kan voorzien.

Gelet op de hiervoor genoemde veelvuldigheid aan verschillende opvattingen en het grote verschil in uitkomsten bij de lopende rechtszaken zag het Gerechtshof Den Haag op 22 februari 2017 aanleiding voor het ambtshalve stellen van de volgende prejudiciële vraag:
Moet in het kader van de vaststelling van de op de voet van artikel 1:157 BW door de ene aan de andere (gewezen) echtgenoot verschuldigde uitkering tot levensonderhoud rekening worden gehouden met het door de onderhoudsgerechtigde echtgenoot ontvangen kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop, door dit te beschouwen als inkomen van laatstgenoemde echtgenoot, met als gevolg dat het kindgebonden budget in mindering strekt op diens behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud, dan wel is bij het kindgebonden budget sprake van een overheidsbijdrage van aanvullende aard waarvan het karakter meebrengt dat die bijdrage bij het vaststellen van die behoefte buiten beschouwing moet worden gelaten en enkel bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsgerechtigde (in het kader van de jusvergelijking) in aanmerking moet worden genomen?

Het zal wel even duren voordat de Hoge Raad komt met een antwoord.

In tussentijd kunt u altijd langskomen voor een controle op uw alimentatiebijdrage. Of dit nu door u wordt betaald of door u wordt ontvangen.

 

Nynke de Witte

2017-05-10T09:27:33+00:00