Overheid mag de verslagen rond de ramp met vlucht MH17 geheimhouden.

Het ministerie van Veiligheid en Justitie mag de verslagen van de vergaderingen die ministers hielden rond de ramp met vlucht MH17 geheimhouden. De Raad van State heeft dat bepaald in een zaak die was aangespannen door de NOS, RTL en de Volkskrant. Dit blijkt uit een  uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zoals gepubliceerd op nos.nl

De uitspraak bevat is grotendeels een weergave van de huidige juridische stand van zaken. Als zich een absolute weigeringsgrond voordoet (artikel 10 lid 1 WOB) dan kan openbaarmaking worden geweigerd, en bij een relatieve weigeringsgrond (artikel 10 lid 2 WOB) zal een belangenafweging moeten worden gemaakt tussen het uitgangspunt van openbaarmaking en de toepassing van een weigeringsgrond. Als sprake is van stukken opgesteld ten behoeve van intern beraad kan openbaarmaking eveneens geweigerd worden.

De uitspraak lijkt interessant in verband met de volgende overweging:

Artikel 10 van het EVRM vereist niet dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt en biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. De Afdeling stelt voorop dat er in het algemeen van mag worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Indien wordt aangenomen dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen en een weigering om inlichtingen te verstrekken niet op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan worden gerechtvaardigd, zal een weigering in strijd zijn met artikel 10 van het EVRM. In het geval een absolute weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, wordt dan de desbetreffende bepaling van de Wob ingevolge artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing gelaten. Indien een relatieve weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, zal het ontbreken van een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM in beginsel tot uitdrukking kunnen komen bij uitleg en toepassing van de bepalingen van de Wob waarin de relatieve weigeringsgrond is neergelegd.

Dit betekent naar mijn mening samengevat het volgende: Onder zeer bijzondere omstandigheden (daarop zal de verzoeker om informatie moeten wijzen) zou het zo kunnen zijn dat artikel 10 lid 1 WOB (absolute weigeringsgrond) in strijd zou kunnen zijn artikel 10 lid 1 EVRM zonder dat dit door artikel 10 lid 2 EVRM kan worden gerechtvaardigd. Als zich dat zou voordoen, dan moeten de bepalingen uit de WOB (artikel 10 lid 1) buiten toepassing blijven op basis van de Grondwet (artikel 94). Dit geldt niet voor artikel 10 lid 2 WOB, omdat bij een relatieve weigeringsgrond namelijk het ontbreken van een weigeringsgrond tot uitdrukking komt bij de uitleg en toepassing van juist dit artikel 10 lid 2 van de WOB. Volgt u het nog?

Dit alles klinkt niet alleen volstrekt logisch, maar ook volstrekt theoretisch. Het wettelijk kader is duidelijk. Als een wet in strijd is met een verdrag, blijft de wet buiten toepassing.

Artikel 94 uit de Grondwet luidt als volgt:

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Eigenlijk volgt uit deze uitspraak niets anders dan dat er zeer bijzondere omstandigheden kunnen zijn, (die zich hier niet voordoen) waaronder de WOB in strijd zou kunnen zijn met het EVRM. Maar dat gold al voor iedere wet. Of er ooit dergelijke bijzondere omstandigheden zullen zijn, waag ik ernstig te betwijfelen als al de ramp met MH17 een niet voldoende bijzondere omstandigheid oplevert wat dan wel? De tijd zal het leren.

Theo Verhoeven

Meer informatie over de WOB, zie WOB.nl

2017-10-25T10:26:28+00:00